Alle maatregelen

Laat je inspireren door de maatregelen om Vlaanderen groen en blauw in te richten. Ga op een slimmere manier om met water.

Filters

Filter op

wis filters

Thema

Waar

Bovengrondse ruimte

Infiltratiecapaciteit

Grondwaterstand

Maaiveld

Situatie

Favorieten
Favorieten

Klik op het hartje bij een maatregel om 'm te bewaren.

Bovengrondse buffer en natuurvriendelijke oevers

© Amar Sjauw En Wa-Windhorst
© Aquafin
© Aquafin
© Aquafin
© Aquafin

Wanneer blijkt dat het ter plaatse houden van hemelwater via infiltratie niet of niet volledig haalbaar is, kan (deels) gekozen worden voor een vertraagde afvoer van het hemelwater.

De uitbouw van lokale buffering heeft als doel een afvlakking te bekomen van het piekdebiet in het afwaartse watersysteem. Bij de uitbouw van deze buffering moet maximaal ingezet worden op het gebruik van het bestaande grachtenstelsel en de verdere uitbouw van dit grachtenstelsel in het projectgebied.

Als dat niet mogelijk is, kan het buffervolume voorzien worden in de vorm van een open bufferbekken of buffervijver.
Vaak worden bufferbekkens in beton uitgevoerd met weinig oog voor de esthetische inpassing van het systeem. Om de belevingswaarde en biodiversiteit van de ingenomen ruimte te vergroten, is het aan te raden om oog te hebben voor de natuurlijke aanplanting van het bekken. Er kan eventueel gewerkt worden met een buffervijver.
De vegetatie in het bekken of de vijver met  groene oevers zorgt voor de zuivering van het water. Regenwaterbuffervijvers dragen bij aan de biodiversiteit en kunnen als waterpartij deel uitmaken van de openbare ruimte.
Tijdens een regenbui wordt het regenwater in het bekken of de vijver opgeslagen en later afgevoerd zodat er ruimte is voor de volgende neerslag.
Afhankelijk van het ontwerp, loopt het bekken volledig leeg na de bui (bufferbekken) of blijft een deel van het water in het bekken staan zodat dit als buffervijver kan fungeren.

Ontwerp

Bij niet-waterdichte buffervoorzieningen moet er over gewaakt worden dat deze niet drainerend worden uitgevoerd.
Uit ervaringen met het onderhoud is gebleken dat het doorvoerdebiet van een buffering niet kleiner mag zijn dan 10 l/s voor het private domein en 20 l/s voor het openbare domein. Berekeningen tonen aan dat het bouwen van buffervoorzieningen met deze minimum doorvoerdebieten niet effectief is voor kleine aangesloten oppervlakten.
Knijpconstructies moeten gemakkelijk toegankelijk zijn voor onderhoud en nazicht.

Aandachtspunten buffervijver

Het water in de vijver moet bij voorkeur altijd 1,5m of dieper zijn. Bij dit peil blijft de opwarming in de zomer beperkt en daalt het risico op problemen met de waterkwaliteit door opwarming. In de winter zal het water bij deze diepte niet volledig bevriezen. Zo kunnen vissen overleven.

Buffervijvers kunnen met een meer steenachtige of met een natuurlijke uitstraling vormgegeven worden. Ze zijn bij uitstek geschikt om de stad te verfraaien. Bij de vormgeving van buffervijvers moet er aandacht zijn voor de wisselende waterstanden. Natuurlijke vijvers kunnen grotere peilverschillen opvangen door de aanplanting van oevervegetatie die zowel tegen droogte als vocht bestand is.

Buffervijvers zullen altijd voorzien moeten worden van een overloop naar het rioleringsstelsel of naar een regenwaterafvoer.

Meer natuurlijke buffervijvers hebben een zuiverende werking en zijn een meerwaarde als leefgebied voor flora en fauna. Uiteraard zijn er combinaties mogelijk van steenachtige vijvers met groene zones voor de zuivering. Regenwatervijvers met vissen, waarin dus water moet blijven staan, hebben in gebieden met een lage grondwaterstand een folie of kleimatten in het diepste gedeelte zodat er altijd voldoende water blijft staan.

Bij de vormgeving van buffervijvers moet ook gedacht worden aan de veiligheid. Licht hellende oevers maken het makkelijker om uit de vijver te geraken.

Regenwaterbuffervijvers vragen geregeld onderhoud zoals het verwijderen van zwerfvuil. De kwaliteit en het onderhoud van de voorziening bepalen de aanvaarding door de stadsbewoners.

We onderscheiden twee types regenwaterbuffervijvers:

  • regenwaterbuffervijvers die niet of matig vervuild water bufferen en zuiveren
  • regenwaterbuffervijvers die vervuild water van druk bereden wegen en parkeerplaatsen bufferen en zuiveren.

Natuurvriendelijke oevers worden daarna apart beschreven.

Regenbufferwatervijvers voor buffering en zuivering van matig vervuild water

In zones waar het regenwater matig verontreinigd is, kan  een regenwatervijver het water tijdelijk bufferen terwijl de vegetatie het zuivert. Het vervuilde water kan nog extra voorgezuiverd worden in een zandfilter in de oeverzone.
Water wordt in een vijver met begroeiing gezuiverd doordat de verontreiniging bezinkt en de planten ze afbreken en opnemen. Met een circulatiesysteem kan het water nog eens extra langs de begroeide oeverzones geleid worden waardoor het nog beter gereinigd wordt. Een mooi kunstwerk of speelelement kan een onderdeel zijn van zo’n circulatie.
De overstort van de vijver kan, als de bodem dat toelaat, uitgevoerd worden als infiltratievoorziening.

atelier GROENBLAUW

Regenwaterbuffervijvers voor buffering en zuivering van sterk vervuild water

Voorzieningen voor buffering en zuivering van sterk vervuild water zijn door middel van een folie afgesloten van de ondergrond. Er vindt dus geen directe infiltratie plaats. Deze voorzieningen worden vaak toegepast om het afstromende regenwater van druk bereden wegen en parkeerplaatsen voor te zuiveren. Deze voorzieningen hebben door de bodemfilter een goed zuiveringsrendement. Ze zijn altijd voorzien van een overstort die door de voorzuivering aangesloten kan zijn op het oppervlaktewater of een infiltratievoorziening. Als er geen oppervlaktewater in de buurt is en infiltratie niet mogelijk is, kan de overstort aangesloten worden op de riool.
Het water kan ook voorgezuiverd worden, vooraleer het naar de vijver wordt afgevoerd. Hiervoor bestaan verschillende systemen: zandfilters, helofytefilters, filters op basis van schelpen. Meer hierover is te vinden onder hemelwater gebruik.

atelier GROENBLAUW

Droogte

Het lokaal bufferen en infiltreren van regenwater helpt om lokaal uitdroging van de bodem te voorkomen. Het is wel van belang dat de oever zo vormgegeven wordt dat deze bestand is tegen langdurig droog staan.

Hitte

Een regenwatervijver met groene oevers heeft een verkoelend effect op de omgeving. Dit effect is afhankelijk van de afmetingen van de vijver. Als de vijver gecombineerd wordt met een fontein, vergroot dit het verkoelend effect door de verneveling en verdamping van water en verbetert dit de waterkwaliteit door de toevoer van zuurstof.

Zoals ander groen heeft ook een groene oever een verzachtend effect op hittestress. Hoe breder de groene oeverzone en hoe meer ruimte er is voor hoger opgaand groen, des te groter het positieve effect op het beperken van hitte. Als het regenwater kan infiltreren, wordt het grondwater geleidelijk aangevuld en wordt het effect van droogte beperkt.

Natuurvriendelijke oevers

Natuurvriendelijke oevers vormen in tegenstelling tot traditioneel beschoeide oevers een geleidelijke overgang van oever naar water. Op de droge oever kunnen zich land- en oevervegetaties vestigen, in het ondiepe water moerasvegetaties en riet, terwijl in het diepere water plaats is voor diverse waterplanten. Natuurvriendelijke oevers met een goede ecologische opbouw vormen een uitstekend leefgebied voor veel planten, vogels, insecten, amfibieën, vissen en zoogdieren en zijn belangrijk voor de biodiversiteit in het stedelijke gebied.

Bij het aanleggen van een nieuwe natuurlijke oever of bij het verbeteren van een bestaande situatie, is het wenselijk de oevervegetatie deels in te planten en zoveel mogelijk variatie aan te brengen. Dit om te voorkomen dat zich over de gehele lengte rietvegetatie ontwikkelt en er een monocultuur ontstaat. Natuurvriendelijke oevers beïnvloeden de waterkwaliteit positief. Riet en biezen nemen voedingsstoffen op en er slaan zwevende deeltjes neer waardoor de helderheid van het water toeneemt. Verder is een natuurvriendelijke oever veiliger voor kinderen. Door de minder plotse overgang van land naar water vallen kleine kinderen minder snel in het water en kunnen ze er in ieder geval makkelijk uit klimmen.

 

atelier GROENBLAUW

Enkele algemene richtlijnen voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers:

  • De breedte van de oeverstrook is bepalend voor de ecologische waarde van de oever. Tot 6 meter breed geldt dat met een toenemende breedte het aantal soorten planten en dieren sterk stijgt. Vanaf 6 meter wordt de stijging minder sterk.
  • Wanneer de ruimte voor een oeverstrook beperkt is, heeft één brede oeverstrook en één zeer smalle (eventueel harde) oeverstrook de voorkeur, boven twee vrij smalle oeverstroken.
  • Wanneer gekozen wordt om maar aan één zijde een brede ecologische oever aan te leggen, heeft de noordoever de voorkeur. Deze oever krijgt veel zonlicht. Dit bevordert de ontwikkeling van eieren van bijvoorbeeld amfibieën en larven. Ook verkiezen veel bloeiende planten een zonnige plek.
  • Door oevers met een zeer flauw talud te vormen, ontstaat ruimte voor een geleidelijke overgang van water naar land; daarmee ontstaan extra mogelijkheden voor planten en dieren.
  • Wil je zowel amfibieën als vissen aantrekken, dan moet er een ‘kraamkamer’ voor amfibieën worden aangelegd in de vorm van bijvoorbeeld een poel. Verschillende vissoorten eten namelijk de eitjes en/of de larven.
  • Op plaatsen waar over een lengte van 100 meter of meer oeverbeschoeiing wordt aangebracht, zijn “uitstapplaatsen” voor amfibieën, kleine zoogdieren en andere fauna nodig.
  • Door bij de aanleg van de oeverstrook geen gebruik te maken van rechte maar slingerende lijnen, ontstaan er plekjes met minder en meer luwte en minder of meer zon. Deze variatie bevordert de soortenrijkdom. Oevers met een slingerende oeverlijn hebben bovendien een meer natuurlijk uiterlijk.
  • Een ecologisch doordachte inrichting zowel op vlak van beplantingskeuze als op vlak van habitatvorming voor bepaalde doelsoorten (amfibieën, zoogdieren, insecten,…), heeft een grote meerwaarde voor de biodiversiteit
  • Het beheer van de begroeiing kan voor een belangrijk deel bepalen hoe deze er uit ziet. Door in de zomer te maaien ontstaat een andere soortensamenstelling dan wanneer er in de winter wordt gemaaid. Wanneer er jaarlijks wordt gemaaid, heeft de begroeiing een heel andere structuur dan wanneer er één keer per vijf jaar wordt gemaaid.

Beheer

Ook bij het beheer wordt rekening gehouden met het verbeteren van de biodiversiteit. Het tijdstip van het maaien van bloemenrijk grasland ligt bij voorkeur na half juni of nog later zodat de meest zeldzame planten al hun zaad gevormd hebben. Het maaisel moet worden afgevoerd. Het natte deel van de oever wordt bij voorkeur in de herfst tussen half september en eind november één keer gemaaid. Dan hebben de amfibieën, vissen en vogels er relatief weinig last van.

Om de bufferende werking van de aangelegde voorziening te behouden is het van belang om:

  • Knijpconstructies te onderhouden en vrij te maken van slib, plantenresten;
  • De voorzieningen regelmatig te ruimen zodat het ontworpen volume maximaal beschikbaar blijft.
 

Toegepast in deze projecten

×